Lekcja Polskiego

Mieszkać is de infinitief van wonen.

Vervoeging

Persoon Pools Nederlands
ik (ja) mieszkam ik woon
jij (ty) mieszkasz jij woont
hij / zij / het (on / ona / ono) mieszka hij / zij / het woont
wij (my) mieszkamy wij wonen
jullie (wy) mieszkacie jullie wonen
zij (oni / one) mieszkają zij wonen

Voorbeelden

Pools Nederlands
Mieszkam w Warszawie. Ik woon in Warschau.
Gdzie mieszkasz? Waar woon je?
On mieszka za granicą. Hij woont in het buitenland.
Gdzie ona mieszka? Waar woont zij?
My mieszkamy w Polsce. Wij wonen in Polen.
Gdzie wy mieszkacie? Waar wonen jullie?
Gdzie oni mieszkają? Waar wonen zij?
Gdzie one mieszkają? Waar wonen zij?

Beleefde vormen

Tegen wie Vorm Nederlands
tegen een man Pan mieszka u woont
tegen een vrouw Pani mieszka u woont
tegen een groep Państwo mieszkają jullie wonen

Voorbeelden

Pools Nederlands
Gdzie Pan mieszka? Waar woont u?
Pani mieszka w Krakowie. U woont in Krakau.
Państwo mieszkają za granicą. Jullie wonen in het buitenland.