Lekcja Polskiego

In de verleden tijd verandert de vorm ook met het geslacht.

Enkelvoud

Persoon Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Nederlands
ik (ja) byłem (ja) byłam — ik was
jij (ty) byłeś (ty) byłaś — jij was
hij / zij / het (on) był (ona) była (ono) było hij was / zij was / het was

Voorbeelden

Pools Nederlands
Byłem w domu. Ik was thuis.
Byłam w domu. Ik was thuis.
Byłeś w kinie. Jij was in de bioscoop.
Byłaś zmęczona. Jij was moe.
On był w kinie. Hij was in de bioscoop.
Ona była w domu. Zij was thuis.
Ono było w domu. Het was thuis.

Meervoud

Persoon Mannen of gemengd Vrouwen, dieren, en dingen Nederlands
wij (my) byliśmy (my) byłyśmy wij waren
jullie (wy) byliście (wy) byłyście jullie waren
zij (oni) byli (one) były zij waren

Opgelet: byliśmy heeft een L terwijl byłyśmy een ł heeft.

Voorbeelden

Pools Nederlands
Byliśmy w domu. Wij waren thuis. (mannen of gemengd)
Byłyśmy w domu. Wij waren thuis. (vrouwen, dieren, en dingen)
Byliście na urlopie. Jullie waren met verlof. (mannen of gemengd)
Byłyście na urlopie. Jullie waren met verlof. (vrouwen, dieren, en dingen)
Oni byli chorzy. Zij waren ziek. (mannen of gemengd)
One były chore. Zij waren ziek. (vrouwen, dieren, en dingen)

Beleefde vormen

Tegen wie Vorm Nederlands
tegen een man Pan był u was
tegen een vrouw Pani była u was
tegen een groep Państwo byli jullie waren

Voorbeelden

Pools Nederlands
Pan był chory. U was ziek.
Pani była w domu. U was thuis.
Państwo byli na wakacjach. Jullie waren op vakantie.